Het onderwerken maken

Een schoen wordt gebouwd op een fundament: de halslederen binnenzool. De binnenzolen worden nat op de onderkant van de leesten gespannen en uitgeklopt. Na droging modelleert de schoenmaker de zool naar het leestmodel. Wanneer gekozen is voor de traditionele maakwijzen als binnennaaien en zwienaaien worden op de binnenzolen de voorbereidingen getroffen om de zool vast te naaien aan de schacht.
Nu wordt de schacht voorzien van de contrefort: een stevig stuk vochtig halsleder dat tussen voering en overleer wordt geplaatst bij de hiel. De contreforts worden ingesmeerd met beenderlijm of roggepap om ze op hun plaats te houden en om na de droging extra stevigheid te geven.. De schachten worden op de leesten geplaatst en voorgehaald: strak gespannen en wel zo dat "links en rechts gelijk zijn ". De schachten worden op de binnenzool vastgepijkerd met tacks: zachte spijkers met een vierkant profiel. De hielen zijn nu opgezet. Vervolgens krijgt de voering van de voorvoet een zelfde behandeling. Op de voering wordt de harde neus gelijmd: ook weer van halsleder, ook weer met beenderlijm of roggepap. Na kloppen en raspen heeft de neus dezelfde vorm als de leest. Het overleer van de voorvoet kan er over gespannen worden: de schoenen krijgen karakter.


Bij binnennaaien en zwienaaien wordt gebruik gemaakt van de eeuwenoude techniek van het naaien met zelfgemaakte pekdraden en varkensharen.

Pekdraden bestaan uit 7 hennepdraadjes die in elkaar getwijnd worden waarbij ervoor gezorgd wordt dat bij de einden een zeer regelmatige verdunning optreedt: de rispeleinden.
De draad wordt nu ingesmeerd met pek.

Can de rispeleinden wordt een varkenshaar vastgemaakt waarbij gebruik wordt gemaakt van twee specifieke eigenschappen van varkensharen: ze hebben altijd gespleten haarpunten en ze zijn stevig.
Met de pekdraad wordt de schacht vastgenaaid aan de binnenzool waarbij ook een rand wordt meegenaaid: aan deze rand zal uiteindelijk de loopzool worden vastgemaakt.

De schoenen krijgen langzaam hun definitieve gestalte. Na het naaien kunnen de schoenen worden voorzien van de cambreurs: bladveerstalen strips die ervoor zorgen dat de hielpartij de horizontale boog behoudt en zo de schoen van hiel tot bal stijf maakt. Zouden de cambreurs niet geplaatst worden zou de schoen onmiddellijk doorzakken waar de hak ophoudt.
Alle oneffenheden worden geëgaliseerd met kurk en de onderkant van de schoen wordt vlakgeraspt,er kan worden opgezoold.
Voor het opzolen gebruikt men een leren of rubberen loopzool. De leren zool wordt nat onder de schoen gelijmd, vastgeklopt en met het uitwrijfijzer glad en glanzend gestreken: zo krijgt leer de mooie bruine kleur. De leren zool wordt uit de croupon gesneden: een halve runderhuid die gelooid is als zoolleer. Bij "J. ZIERIKZEE" wordt uitsluitend het zoolleer van Johan Rendenbach gebruikt. Rendenbach is de laatste Duitse zoolleerlooier die de looingsmethode hanteert waarbij de huiden met natuurlijke looistoffen in een kuip in de grond worden gestopt. Na een jaar heeft de looing zich voltrokken waarna de croupons klaar zijn voor verdere bewerkingen. Het op deze manier verkregen leer is van sublieme kwaliteit.

Als de zool is aangebracht wordt de aflapmachine in stelling gebracht. Deze 50 jaar oude machine naait de zool vast aan de rand . Na het aflappen worden de steken opgezet: het karakteristieke karteltje op de rand .
De schoenmaker gaat nu de kant zetten: hij gaat de zijkant van de zool en de rand met schraapglas, rasp en schuurpapier klaarmaken voor het opbrengen van de kleurwas. Het opbrengen gebeurt met een warme coulis: een soort frees die het vochtige leer en de warme was samen een profiel geeft: de kralen.
Nu kan de hak opgebouwd worden: laagje halsleer wordt op laagje halsleer gelijmd tot de gewenste hakhoogte is bereikt. De hak is pas volledig opgebouwd wanneer de slijtvaste rubbertip is ingelegd .
Het onderwerk kan worden afgewerkt.
De hak wordt fijn geschuurd en in dezelfde kleur geverfd als de zoolkant. Ook op de hak wordt was aangebracht en de uitpoetsmachine zorgt er vervolgens voor dat het gehele onderwerk gaat glimmen als een spiegel. De schoen is klaar, dat wil zeggen: bijna klaar.
De leest blijft nog minstens een week in de schoenen: zo krijgen de schoenen optimaal stand:
belangrijk voor de vorm van de schoen wanneer ze het zonder leest moet stellen. Want: uiteindelijk moet de leest eruit om plaats te maken voor de voeten van de maatklant. De leesten zijn deelbaar: een schroef houdt de voor- en achterkant bij elkaar. Bij het uitleesten verwijdert de schoenmaker de schroef en haalt eerst de achterkant, de hiel, uit de schoen. Vervolgens klopt hij de voorkant los en trekt die eruit met een leesthaak. Nu nog het talkpoeder uit de schoenen kloppen en de inlegzool in de achterkant lijmen, een laatste doekje over het werkstuk.